Üben

Die Lernstränge

Alles, was die sechs Apps üben, in der Reihenfolge, in der sie es üben. Diese Seite ist keine Beschreibung, sondern ein Auszug: Sie stammt aus denselben Dateien, aus denen die App ihre Fragen holt.

Die Apps selbst sprechen vorerst Niederländisch — die Namen unten sind das, was ein Kind auf dem Bildschirm sieht.

Kopfrechnen

Maths

115 Stufen · 174 Blöcke · 2060 Lernpunkte

Getallen

Getalbegrip

  1. 1PlaatswaardeWelk cijfer staat op welke plek, en wat is het dan waard.
    • Waarde van een cijfer
    • Getallen opbouwen
    • Waarde van een cijfer: grote getallen
    • Waarde van een cijfer achter de komma
    Ab Klasse 4 · 52
  2. 2Getallen lezen en schrijvenVan woorden naar cijfers, en van cijfers naar woorden.
    • Getallen in cijfers schrijven
    • Getallen in woorden schrijven
    Ab Klasse 4 · 31
  3. 3De getallenlijnAflezen waar de pijl staat, en zelf een getal op de lijn zetten.
    • Getallenlijn aflezen
    • Op de getallenlijn zetten
    Ab Klasse 4 · 21
  4. 4Vleksommen en stipsommenHet ontbrekende getal onder de vlek vinden bij plus, min en keer.
    • Vleksommen met plus
    • Vleksommen met min
    • Vleksommen met keer
    Ab Klasse 4 · 36
  5. 5AfrondenOp tien, honderd en duizend, en op decimalen.
    • Afronden op tien, honderd, duizend
    • Afronden op decimalen
    Ab Klasse 6 · 27
  6. 6Volgorde en negatieve getallenWelke bewerking eerst, en rekenen voorbij de nul.
    • Volgorde van bewerkingen
    • Negatieve getallen: plus en min
    • Negatieve getallen: keer en delen
    Ab Klasse 8 · 38
  7. 7Deelbaarheid en priemgetallenDeelbaarheidskenmerken en getallen met precies twee delers.
    • Deelbaarheidskenmerken
    • Priemgetallen tot 100
    Ab Klasse 8 · 27
Getallen

Plus & min

  1. 1Tot tienVrienden van tien, splitsen, terugrekenen, en plus en min tot tien.
    • Vrienden van tien
    • Splitsen tot tien
    • Terugrekenen tot tien
    • Plus tot tien
    • Min tot tien
    Ab Klasse 3 · 53
  2. 2SplitshuisjesSplitsen tot 10 en tienergetallen in het splitsschema.
    • Splitshuisjes tot 10
    • Splitshuisjes en tienergetallen
    Ab Klasse 3 · 24
  3. 3Dubbelen en helftenHet dubbele, bijna-dubbel, en de helft terug.
    • Dubbelen en helften
    Ab Klasse 3 · 24
  4. 4Tot twintigTien en nog wat, en plus en min tot twintig binnen het tiental.
    • Splitsen tot twintig
    • Plus tot twintig
    • Min tot twintig
    Ab Klasse 3 · 42
  5. 5Het rekenrekKralen tellen en sommen maken met de 5- en 10-structuur.
    • Rekenrek tot 10
    • Rekenrek tot 20
    Ab Klasse 3 · 25
  6. 6BussommenInstappen en uitstappen: optellen en aftrekken met de bus.
    • Bussommen: instappen
    • Bussommen: uitstappen
    Ab Klasse 2 · 32
  7. 7VerdwijnsommenAlles of bijna alles eraf trekken: uitkomst 0 of 1.
    • Verdwijnsommen en bijna-verdwijnsommen
    Ab Klasse 3 · 16
  8. 8Over de tienDe grote stap: plus en min over het tiental heen, tot twintig.
    • Plus over de tien
    • Min over de tien
    Ab Klasse 3 · 24
  9. 9Tot honderdSprongen van tien, en plus en min binnen het tiental.
    • Sprongen van tien en één
    • Plus tot honderd
    • Min tot honderd
    • Aanvullen tot een tiental
    Ab Klasse 4 · 60
  10. 10Handig rekenenAanvullen tot 100 en 1000, rekenen met 9, 19, 29 en met 25 en 50.
    • Aanvullen tot honderd
    • Handig rekenen met 9, 19, 29
    • Aanvullen tot duizend
    • Rekenen met 25 en 50
    Ab Klasse 5 · 41
  11. 11Over het tientalPlus en min over het tiental, met eenheden: 76 + 8.
    • Plus over het tiental
    • Min over het tiental
    Ab Klasse 4 · 24
  12. 12Tientallen én eenhedenDe stap erna: 56 + 28 en 76 − 28.
    • Plus met tientallen én eenheden
    • Min met tientallen én eenheden
    Ab Klasse 5 · 24
  13. 13Tot duizendPlus en min tot duizend, en zien wanneer doortellen korter is.
    • Plus tot duizend
    • Min tot duizend
    • Verschil: doortellen
    Ab Klasse 5 · 36
  14. 14Grote getallenPlus en min met getallen boven de duizend.
    • Plus met grote getallen
    • Min met grote getallen
    Ab Klasse 6 · 24
Getallen

Keer & delen

  1. 1Tafels 1, 2, 5 en 101, 2, 10 en 5 — de eerste tafels door elkaar.
    • Tafel van 1
    • Tafel van 2
    • Tafel van 10
    • Tafel van 5
    Ab Klasse 4 · 40
  2. 2Tafels 3, 4 en 6De tafels van 3, 4 en 6 door elkaar.
    • Tafel van 3
    • Tafel van 4
    • Tafel van 6
    Ab Klasse 4 · 30
  3. 3Tafels 7, 8 en 9De tafels van 7, 8 en 9 door elkaar.
    • Tafel van 7
    • Tafel van 8
    • Tafel van 9
    Ab Klasse 5 · 30
  4. 4Alle tafelsAlle tafels van 1 tot en met 10 door elkaar.
    • Tafel van 1
    • Tafel van 2
    • Tafel van 10
    • Tafel van 5
    • Tafel van 3
    • Tafel van 4
    • Tafel van 6
    • Tafel van 7
    • Tafel van 8
    • Tafel van 9
    Ab Klasse 5 · 100
  5. 5Deeltafels 2, 5 en 10Delen door 2, 10 en 5 door elkaar.
    • Deeltafel van 2
    • Deeltafel van 10
    • Deeltafel van 5
    Ab Klasse 5 · 30
  6. 6Deeltafels 3, 4 en 6Delen door 3, 4 en 6 door elkaar.
    • Deeltafel van 3
    • Deeltafel van 4
    • Deeltafel van 6
    Ab Klasse 5 · 30
  7. 7Deeltafels 7, 8 en 9Delen door 7, 8 en 9 door elkaar.
    • Deeltafel van 7
    • Deeltafel van 8
    • Deeltafel van 9
    Ab Klasse 5 · 30
  8. 8Alle deeltafelsAlle deeltafels van 2 tot en met 10 door elkaar.
    • Deeltafel van 2
    • Deeltafel van 10
    • Deeltafel van 5
    • Deeltafel van 3
    • Deeltafel van 4
    • Deeltafel van 6
    • Deeltafel van 7
    • Deeltafel van 8
    • Deeltafel van 9
    Ab Klasse 6 · 90
  9. 9Keer én delen door elkaarAlle tafels en deeltafels, in één rij door elkaar.
    • Tafel van 1
    • Tafel van 2
    • Tafel van 10
    • Tafel van 5
    • Tafel van 3
    • Tafel van 4
    • Tafel van 6
    • Tafel van 7
    • Tafel van 8
    • Tafel van 9
    • Deeltafel van 2
    • Deeltafel van 10
    • +7
    Ab Klasse 6 · 190
  10. 10Tafel van 1Gericht oefenen op de tafel van 1.
    • Tafel van 1
    Ab Klasse 4 · 10
  11. 11Tafel van 2Gericht oefenen op de tafel van 2.
    • Tafel van 2
    Ab Klasse 4 · 10
  12. 12Tafel van 3Gericht oefenen op de tafel van 3.
    • Tafel van 3
    Ab Klasse 4 · 10
  13. 13Tafel van 4Gericht oefenen op de tafel van 4.
    • Tafel van 4
    Ab Klasse 4 · 10
  14. 14Tafel van 5Gericht oefenen op de tafel van 5.
    • Tafel van 5
    Ab Klasse 4 · 10
  15. 15Tafel van 6Gericht oefenen op de tafel van 6.
    • Tafel van 6
    Ab Klasse 5 · 10
  16. 16Tafel van 7Gericht oefenen op de tafel van 7.
    • Tafel van 7
    Ab Klasse 5 · 10
  17. 17Tafel van 8Gericht oefenen op de tafel van 8.
    • Tafel van 8
    Ab Klasse 5 · 10
  18. 18Tafel van 9Gericht oefenen op de tafel van 9.
    • Tafel van 9
    Ab Klasse 5 · 10
  19. 19Tafel van 10Gericht oefenen op de tafel van 10.
    • Tafel van 10
    Ab Klasse 4 · 10
  20. 20Deeltafel van 2Gericht oefenen op de deeltafel van 2.
    • Deeltafel van 2
    Ab Klasse 5 · 10
  21. 21Deeltafel van 3Gericht oefenen op de deeltafel van 3.
    • Deeltafel van 3
    Ab Klasse 5 · 10
  22. 22Deeltafel van 4Gericht oefenen op de deeltafel van 4.
    • Deeltafel van 4
    Ab Klasse 5 · 10
  23. 23Deeltafel van 5Gericht oefenen op de deeltafel van 5.
    • Deeltafel van 5
    Ab Klasse 5 · 10
  24. 24Deeltafel van 6Gericht oefenen op de deeltafel van 6.
    • Deeltafel van 6
    Ab Klasse 5 · 10
  25. 25Deeltafel van 7Gericht oefenen op de deeltafel van 7.
    • Deeltafel van 7
    Ab Klasse 5 · 10
  26. 26Deeltafel van 8Gericht oefenen op de deeltafel van 8.
    • Deeltafel van 8
    Ab Klasse 5 · 10
  27. 27Deeltafel van 9Gericht oefenen op de deeltafel van 9.
    • Deeltafel van 9
    Ab Klasse 5 · 10
  28. 28Deeltafel van 10Gericht oefenen op de deeltafel van 10.
    • Deeltafel van 10
    Ab Klasse 5 · 10
  29. 29Keer een groter getalSplits het getal in tientallen en eenheden: 3 × 67 is 180 + 21.
    • Keer een groter getal
    Ab Klasse 5 · 12
  30. 30Grote tafelsDe tafels van 11, 12, 20, 25 en 50.
    • Grote tafels
    Ab Klasse 6 · 12
  31. 31TientaltafelsKeer met tientallen en honderdtallen: 3 × 60, 100 × 14.
    • Tientaltafels
    Ab Klasse 7 · 12
  32. 32De denkwolk en handig vermenigvuldigenSommen met nullen via de kleine som, en halveren en verdubbelen.
    • Sommen met nullen en de denkwolk
    • Halveren en verdubbelen
    Ab Klasse 5 · 23
  33. 33Keer en delen door 10, 100, 1000Nullen erbij en eraf, en bij kommagetallen de komma schuiven.
    • Keer en delen door 10, 100, 1000
    • Kommagetallen × en : 10, 100, 1000
    Ab Klasse 5 · 18
  34. 34Verder met delenDelen met tientallen, delen door te splitsen, en delen met rest.
    • Delen met tientallen
    • Delen door te splitsen
    • Delen met rest
    Ab Klasse 7 · 36
Getallen

Cijferen

  1. 1Cijferend optellen en aftrekkenDe som onder elkaar, met onthouden en lenen.
    • Cijferend optellen
    • Cijferend aftrekken
    • Cijferend keer één cijfer
    Ab Klasse 6 · 20
  2. 2Cijferend keer en de staartdelingTwee regels onder elkaar, en de deling hap voor hap.
    • Cijferend vermenigvuldigen
    • Kommagetallen onder elkaar
    • Cijferend keer met grote getallen
    • De staartdeling
    Ab Klasse 7 · 33
  3. 3Staartdeling door twee cijfersDelen door 12, 15, 24: met een rijtje van de deler.
    • Staartdeling door twee cijfers
    Ab Klasse 8 · 10
Verhaalsommen

Wat gebeurt er in het verhaal?

  1. 1Erbij, eraf, keer of delenLees een kort verhaal en kies wat er gebeurt.
    • Wat gebeurt er in het verhaal?
    Ab Klasse 5 · 16
Verhaalsommen

Plus & min in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen: plus en minEen som die in een verhaal verstopt zit. Lees, zoek de getallen, zoek het woord.
    • Verhaalsommen: plus en min
    Ab Klasse 5 · 11
Verhaalsommen

Keer & delen in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen: keer en delenPer stuk, in elke doos, verdeeld over — en dan uitrekenen.
    • Verhaalsommen: keer en delen
    Ab Klasse 6 · 11
  2. 2Verhaalsommen in twee stappenEerst het totaal uitrekenen, dan pas de vraag beantwoorden.
    • Verhaalsommen in twee stappen
    Ab Klasse 7 · 11
Verhaalsommen

Meten in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met matenMeters naar centimeters, kilo naar gram — de maattrap in een verhaal.
    • Verhaalsommen met maten
    Ab Klasse 6 · 2
Verhaalsommen

Geld en tijd in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met geldWat kost het samen, en hoeveel krijg je terug?
    • Verhaalsommen met geld
    Ab Klasse 6 · 2
  2. 2Verhaalsommen met tijdHoe lang duurt het samen, en hoeveel blijft er over?
    • Verhaalsommen met tijd
    Ab Klasse 6 · 2
Verhaalsommen

Verhoudingen in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met verhoudingenPer kilometer, per stuk — van één naar veel en weer terug.
    • Verhaalsommen met verhoudingen
    Ab Klasse 7 · 2
Verhoudingen

Breuken

  1. 1Breuken herkennenWelk deel is gekleurd? Je schrijft de breuk zelf op.
    • Breuken benoemen
    Ab Klasse 5 · 20
  2. 2Breuken op de getallenlijnEen breuk aflezen, en van een deel terug naar het geheel.
    • Breuken op de getallenlijn
    • Van een deel naar het geheel
    Ab Klasse 6 · 20
  3. 3Breukenstroken vergelijkenBreuken visueel vergelijken en zien welk deel groter is.
    • Breukenstroken vergelijken
    Ab Klasse 6 · 7
  4. 4Deel van een geheelDe helft, een kwart, een tiende — van een getal.
    • Breuken benoemen
    • Deel van een geheel
    Ab Klasse 6 · 32
  5. 5Breuken vereenvoudigen, optellen en aftrekken2/4 is 1/2, 7/4 is 1¾, en 1/4 + 2/4 is 3/4.
    • Breuken vereenvoudigen
    • Helen eruit halen
    • Breuken optellen
    • Breuken aftrekken
    Ab Klasse 6 · 64
  6. 6Breuken keer, gedeeld en gelijknamigOngelijke noemers gelijk maken, en breuken keer en gedeeld door elkaar.
    • Breuken met ongelijke noemers
    • Breuken vermenigvuldigen
    • Delen door een breuk
    Ab Klasse 8 · 20
Verhoudingen

Procenten

  1. 1Breuk en procentEen half is 50%, een kwart is 25% — dezelfde strook.
    • Breuk als procent
    • Breuk als kommagetal
    Ab Klasse 6 · 17
  2. 2Procent berekenenHoeveel procent is het, en procent als kommagetal.
    • Procent en kommagetal
    • Hoeveel procent is het?
    Ab Klasse 7 · 20
  3. 3Procent van een getal10% van 60, 25% van 40 — via tien procent.
    • Procent van een getal
    Ab Klasse 7 · 16
  4. 4Korting berekenenZet 100, 50, 25 en 10 procent op een rij, en zoek het gevraagde bij elkaar.
    • Korting berekenen
    Ab Klasse 7 · 8
  5. 5Btw en kortingspercentageHoeveel procent korting, en de prijs met btw.
    • Hoeveel procent korting?
    • Btw en procent erbij
    Ab Klasse 8 · 18
Verhoudingen

Kommagetallen

  1. 1KommagetallenPlus, min en keer met tienden en honderdsten.
    • Kommagetallen plus en min
    • Kommagetallen keer
    Ab Klasse 7 · 22
  2. 2Kommagetallen afrondenWelk cijfer staat achter de komma, en afronden op decimalen.
    • Waarde van een cijfer achter de komma
    • Afronden op decimalen
    Ab Klasse 7 · 22
Verhoudingen

Verhoudingen vergelijken

  1. 1De viersprongSchakelen tussen verhouding, breuk, kommagetal en percentage.
    • De viersprong: breuk, decimaal en procent
    Ab Klasse 7 · 9
  2. 2Verhoudingen vergelijkenHetzelfde stuk, groter geschreven: 2 op 3 is ook 6 op 9.
    • Verhoudingen vergelijken
    Ab Klasse 6 · 36
  3. 3De verhoudingstabelInvullen met tussenstappen, met en zonder verhaal, en de prijs per kilo.
    • De verhoudingstabel invullen
    • Verhaalsommen met een verhoudingstabel
    • Prijs per kilo
    Ab Klasse 6 · 26
  4. 4Schaal en snelheidSchaal op de kaart, afstand en tijd, en m/s omrekenen naar km/uur.
    • Schaal op de kaart
    • Snelheid, afstand en tijd
    • m/s en km/uur
    Ab Klasse 8 · 24
  5. 5Breuk, procent en kommagetal1 van de 4 is 1/4 is 0,25 is 25% — steeds dezelfde hoeveelheid.
    • Breuk, procent, kommagetal
    Ab Klasse 7 · 15
Meten & tijd

Lengte

  1. 1LengtematenVan meters naar centimeters en terug — de trap op en af.
    • Lengtematen
    Ab Klasse 6 · 15
  2. 2Welke maat past hierbij?Is een deur 2 meter of 2 millimeter? Maatgevoel, vóór het omrekenen.
    • Welke maat past hierbij?
    Ab Klasse 5 · 12
Meten & tijd

Inhoud & gewicht

  1. 1Inhoud en gewichtLiters en grammen: dezelfde trap, andere namen.
    • Inhoudsmaten
    • Gewichtsmaten
    Ab Klasse 7 · 21
Meten & tijd

Geld

  1. 1Geld neerleggenWelke munten en briefjes samen een bedrag maken.
    • Geld neerleggen
    Ab Klasse 4 · 12
  2. 2Rekenen met bedragenBedragen bij elkaar, en een prijs keer een aantal.
    • Bedragen optellen
    • Prijs keer aantal
    Ab Klasse 5 · 22
  3. 3TeruggevenWat je terugkrijgt van 5, 10, 20 en 50.
    • Teruggeven van 5 en 10
    • Teruggeven van 20 en 50
    Ab Klasse 6 · 16
Meten & tijd

Klok & tijd

  1. 1KlokkijkenHele en halve uren, en de kwartieren.
    • Klok: hele en halve uren
    • Klok zetten: hele en halve uren
    • Klok: kwartieren
    • Klok zetten: kwartieren
    Ab Klasse 3 · 72
  2. 2De klok op de minuutVijf over half, tien voor drie — de klok op de minuut.
    • Klok: hele en halve uren
    • Klok zetten: hele en halve uren
    • Klok: kwartieren
    • Klok zetten: kwartieren
    • Klok: op de minuut
    • Klok zetten: op de minuut
    Ab Klasse 5 · 108
  3. 3Hoe lang duurt hetVan het ene tijdstip naar het andere — hoeveel minuten zit daartussen.
    • Hoe lang duurt het
    • Hoe lang duurt het, op de minuut
    Ab Klasse 5 · 25
  4. 4Eeuwen, jaren, weken en secondenElke tijdstap heeft zijn eigen maat — en de maanden erbij.
    • Tijd omrekenen
    • De maanden van het jaar
    Ab Klasse 5 · 38
  5. 5Tijd met een kommaVan 2,5 uur naar minuten, en terug.
    • Tijd met een komma
    Ab Klasse 7 · 8
  6. 6De 24-uursklokOp het station staat 19:00 en op je pols zeven uur. Hoe je van de een naar de ander komt.
    • De 24-uursklok
    Ab Klasse 6 · 22
Meten & tijd

Meetkunde

  1. 1Grafieken en bouwselsStaafdiagrammen aflezen en kubusbouwsels tellen.
    • Staafdiagram aflezen
    • Blokkenbouwsels tellen
    Ab Klasse 5 · 20
  2. 2Omtrek en oppervlakteHoe lang is de lijn eromheen, en hoeveel vierkantjes passen erop?
    • Omtrek van een rechthoek
    • Oppervlakte van een rechthoek
    Ab Klasse 6 · 12
  3. 3Driehoek en inhoudDe helft van een rechthoek, en hoeveel kubusjes er in een balk passen.
    • Oppervlakte van een driehoek
    • Inhoud van een balk
    Ab Klasse 7 · 12
  4. 4De cirkelOmtrek en oppervlakte met π — en het verschil tussen die twee.
    • Omtrek van een cirkel
    • Oppervlakte van een cirkel
    Ab Klasse 8 · 12
  5. 5Vierkante en kubieke matenBij m² stap je met honderd tegelijk, bij m³ met duizend. En 1 dm³ is 1 liter.
    • Vierkante maten
    • Kubieke maten
    Ab Klasse 7 · 16
  6. 6Hectare en areOppervlakte in hectare, are en vierkante meter.
    • Hectare, are en m²
    Ab Klasse 8 · 8
Verrijkingsstof

Verrijkingsstof

  1. 1Buurgetallen en ronde getallenHet getal net ervoor en net erna, en het ronde tiental en honderdtal.
    • Buurgetallen en ronde getallen
    Ab Klasse 3 · 24
  2. 2SommenfamiliesVier sommen bij een splitsing: twee plussommen en twee minsommen.
    • Sommenfamilies
    Ab Klasse 3 · 30
  3. 3TafelstrategieënHerhaald optellen naar keer, en steunsommen van 5× en 10× met 1× meer of minder.
    • Herhaald optellen naar keer
    • Tafelstrategie: 1× meer en 1× minder
    Ab Klasse 4 · 34
  4. 4Romeinse cijfersI, V, X, L, C, D en M omrekenen naar gewone getallen.
    • Romeinse cijfers
    Ab Klasse 8 · 20
  5. 5Kwadraten, wortels en machtenGetallen in het kwadraat, worteltrekken en derde machten.
    • Kwadraten, wortels en machten
    Ab Klasse 8 · 21
  6. 6Ontbinden in priemfactorenEen getal schrijven als vermenigvuldiging van priemgetallen.
    • Ontbinden in priemfactoren
    Ab Klasse 8 · 19
  7. 7Breuk aanvullen tot een heleHoeveel ontbreekt er om de breuk heel te maken.
    • Breuk aanvullen tot 1
    Ab Klasse 6 · 15
  8. 8Het gemiddeldeAlle getallen optellen en delen door het aantal getallen.
    • Het gemiddelde berekenen
    Ab Klasse 7 · 12
  9. 9TijdzonesVroeger naar het westen en later naar het oosten over de wereld.
    • Tijdzones en wereldtijd
    Ab Klasse 8 · 12
  10. 10Valuta en wisselkoersenEuro omrekenen naar dollars, ponden en andere munten.
    • Wisselkoersen omrekenen
    Ab Klasse 7 · 12
  11. 11Combinaties tellenHet aantal mogelijke keuzes berekenen met vermenigvuldigen.
    • Combinaties tellen
    Ab Klasse 8 · 12
  12. 12Oude prijs terugrekenenVan de actieprijs met korting terugrekenen naar 100%.
    • Oude prijs terugrekenen
    Ab Klasse 8 · 12

Alles

  1. 1De hele leerlijnVan vrienden van tien tot delen met rest — alles.
    • Vrienden van tien
    • Splitsen tot tien
    • Splitshuisjes tot 10
    • Splitshuisjes en tienergetallen
    • Buurgetallen en ronde getallen
    • Sommenfamilies
    • Splitsen tot twintig
    • Terugrekenen tot tien
    • Plus tot tien
    • Rekenrek tot 10
    • Rekenrek tot 20
    • Bussommen: instappen
    • +162
    Ab Klasse 8 · 2060

Rechtschreibung

Spelling

53 Stufen · 59 Blöcke · 2360 Lernpunkte

Woorden die je kunt horen

Hakken en luisteren

  1. 1Woorden die je kunt horenHak het woord in klanken en schrijf op wat je hoort. Voor wie net begint.
    • Hak het woord in klanken
    • Ng of nk?
    • Aai, ooi of oei?
    • Eer, oor of eur?
    • Eeuw, ieuw of uw?
    Ab Klasse 3 · 200
  2. 2Dagen, maanden en seizoenenDagen en maanden schrijf je met een kleine letter: januari, woensdag, herfst.
    • Kalender- en tijdwoorden
    Ab Klasse 4 · 40
Woorden met een regel

Kort of lang

  1. 1Kort of langBomen of bommen: één medeklinker of twee, afhankelijk van de klank.
    • Eén of twee medeklinkers?
    Ab Klasse 4 · 40
Woorden met een regel

Verkleinwoorden

  1. 1VerkleinwoordenHuisje, boompje, mannetje: welke staart hoort bij welk woord?
    • Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
    • Verkleinwoorden: -etje of -kje
    Ab Klasse 4 · 80
  2. 2Verkleinwoorden met -jeHuisje, boompje, raampje.
    • Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
    Ab Klasse 4 · 40
  3. 3Verkleinwoorden met -etjeMannetje, sterretje, balletje.
    • Verkleinwoorden: -etje of -kje
    Ab Klasse 5 · 40
Woorden met een regel

Verlengen

  1. 1Maak het woord langerHand of hant, snelheid of snelheit: verleng het woord en je hoort het.
    • Eindigt het op d of t?
    • Eindigt het op b of p?
    • Eindigt het op f of v, s of z?
    • Eindigt het op -heid?
    Ab Klasse 5 · 160
  2. 2Eindletters d en tVerleng het woord om te horen of het d of t is: hond/honden.
    • Eindigt het op d of t?
    Ab Klasse 5 · 40
  3. 3Eindletters b en pVerleng het woord om te horen of het b of p is: krab/krabben.
    • Eindigt het op b of p?
    Ab Klasse 5 · 40
Woorden met een regel

Voorvoegsels

  1. 1Be-, ge-, ver- en ont-De doffe klank vooraan schrijf je met een e. Altijd.
    • Be-, ge-, ver- of ont-?
    Ab Klasse 5 · 40
Woorden met een regel

Meervoud

  1. 1Meervoud: 's en tremaAuto's met een apostrof, zeeën met twee puntjes — allebei om verkeerd lezen te voorkomen.
    • Meervoud met 's
    • Het trema
    Ab Klasse 6 · 80
  2. 2Meervoud met 'sAuto's, paraplu's, foto's: apostrof om de lange klank te houden.
    • Meervoud met 's
    Ab Klasse 6 · 40
  3. 3Meervoud met tremaZeeën, knieën, reeën: puntjes om de klinkers te scheiden.
    • Het trema
    Ab Klasse 7 · 40
  4. 4Onbeklemtoonde meervoudenKlemtoon vooraan: perziken, haviken, monniken (geen verdubbeling).
    • Meervoud met onbeklemtoonde slotlettergreep
    Ab Klasse 6 · 40
  5. 5Meervoud met trema (-ieën, -eeën)Klemtoon op ie geeft -eën (knieën), ervoor geeft -iën (bacteriën).
    • Meervoud met trema: -ieën of -eeën
    Ab Klasse 7 · 40
Woorden met een regel

Samenstellingen

  1. 1Twee woorden aan elkaarPannenkoek, stationsplein, zee-egel: wat komt er tussen die twee woorden?
    • Samenstellingen met tussen-n
    • Samenstellingen met tussen-s
    • Het koppelteken
    Ab Klasse 7 · 120
  2. 2Tussen-n in samenstellingenPannenkoek, bessenstruik: wanneer komt er een -n tussen?
    • Samenstellingen met tussen-n
    Ab Klasse 7 · 40
  3. 3Tussen-s in samenstellingenDorpsstraat, stationsplein: luister of je de -s hoort.
    • Samenstellingen met tussen-s
    Ab Klasse 7 · 40
  4. 4Samenstellingen met tussen-eAlleen een e en geen n bij unieke woorden of versteende vormen: zonnebloem, maneschijn.
    • Samenstellingen met tussen-e
    Ab Klasse 7 · 40
  5. 5Samenstellingen en koppeltekensAan elkaar vast, tenzij klinkers botsen: voetbalveld, auto-ongeluk.
    • Samenstellingen en koppeltekens
    Ab Klasse 6 · 40
Woorden om te onthouden

Klanken die hetzelfde klinken

  1. 1Ei of ij, au of ouKlanken die precies hetzelfde klinken. Hier helpt geen regel, alleen kijken.
    • Ei of ij?
    • Au of ou?
    Ab Klasse 5 · 80
  2. 2Korte ei of lange ijOnthoud de ei-woorden: trein, reis, kei.
    • Ei of ij?
    Ab Klasse 5 · 40
  3. 3At-au of ot-ouOnthoud de au-woorden: pauw, blauw, auto.
    • Au of ou?
    Ab Klasse 5 · 40
  4. 4Cht of gtHet licht en hij ligt: een ding of een werkwoord, en dat scheelt een letter.
    • Cht of gt?
    Ab Klasse 6 · 40
  5. 5G of chLachen of laggen: precies dezelfde klank, twee schrijfwijzen.
    • G of ch?
    Ab Klasse 6 · 40
  6. 6Klankgelijke weetwoorden (homofonen)Pijl en boog of waterpeil; steil of stijl. Let altijd op de betekenis.
    • Klankgelijke weetwoorden (homofonen)
    Ab Klasse 7 · 40
Woorden om te onthouden

Uit een andere taal

  1. 1Woorden uit een andere taalDe c van cirkel, de -tie van politie, de g van garage: kijken en onthouden.
    • De c: als s of als k?
    • De i die als ie klinkt
    • Eindigt het op -tie?
    • Woorden uit een andere taal
    • De Griekse y
    Ab Klasse 6 · 200
  2. 2Woorden met een xJe hoort ks, maar schrijft een x: taxi, mixer, extra, examen.
    • Woorden met een x
    Ab Klasse 5 · 40
  3. 3Woorden met thJe hoort een t, maar schrijft th: thuis, thee, thema, theater.
    • Woorden met th
    Ab Klasse 7 · 40
  4. 4Woorden op -age en -teitJe hoort aazje, schrijft -age. Kwaliteit en activiteit eindigen op een t.
    • Uitgangen -age en -teit
    Ab Klasse 7 · 40
  5. 5Franse uitgangen -eau en -airCadeau en bureau met -eau; militair en populair met -air.
    • Franse leenwoorden: -eau en -air
    Ab Klasse 7 · 40
  6. 6Klassieke uitgangen (-iaal, -ueel, -ium)Hoor de afzonderlijke klinkers: museum, aquarium, actueel, ideaal.
    • Klassieke uitgangen: -iaal, -ueel, -ium
    Ab Klasse 8 · 40
Woorden om te onthouden

Doffe staarten

  1. 1Staarten die dof klinken-ig of -lijk, en -isch dat als "ies" klinkt.
    • -ig of -lijk?
    • Eindigt het op -isch?
    Ab Klasse 7 · 80
  2. 2Staarten met -te, -de of -enHoogte of hoogde, wollen of wolle: staarten die je nauwelijks hoort.
    • Woorden op -eren, -elen of -enen
    • Eindigt het op -te of -de?
    • Waar is het van gemaakt?
    Ab Klasse 6 · 120
  3. 3Woorden op -ingJe hoort -ing en schrijft altijd -ing: wandeling, vereniging, oplossing.
    • Achtervoegsel -ing
    Ab Klasse 5 · 40
Woorden om te onthouden

Klanken die er niet staan

  1. 1Klanken die er niet staanJe zegt "wurum" en "bavijaan" — maar die u en die j schrijf je niet.
    • De klank die je hoort maar niet schrijft
    • De j en de w die je niet schrijft
    Ab Klasse 6 · 80
Werkwoorden

Werkwoordregels

  1. 1Tegenwoordige tijdDe ik-vorm, de hij-vorm met -t, de dt-regel en jij achter het werkwoord.
    • Tegenwoordige tijd: ik-vorm
    • Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
    • De dt-regel
    • Jij achter het werkwoord
    Ab Klasse 6 · 160
  2. 2De ik-vorm (stam)De stam van het werkwoord in de tegenwoordige tijd: ik loop, ik werk.
    • Tegenwoordige tijd: ik-vorm
    Ab Klasse 6 · 40
  3. 3De hij-vorm (stam + t)Stam + t in de tegenwoordige tijd: hij loopt, zij werkt.
    • Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
    Ab Klasse 6 · 40
  4. 4De dt-regelWanneer schrijf je d, t of dt? Hij wordt, hij vindt.
    • De dt-regel
    Ab Klasse 6 · 40
  5. 5Jij achter het werkwoordInversie: loop jij (geen t) of word jij (stam op d).
    • Jij achter het werkwoord
    Ab Klasse 6 · 40
  6. 6Verleden en voltooid't Kofschip, het voltooid deelwoord met -t of -d, en de verwarring ertussen.
    • Verleden tijd: 't kofschip
    • Voltooid deelwoord: -t of -d
    • Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
    Ab Klasse 7 · 120
  7. 7Verleden tijd: 't kofschipZwakke werkwoorden in de verleden tijd: werkte of fietste.
    • Verleden tijd: 't kofschip
    Ab Klasse 7 · 40
  8. 8Voltooid deelwoord (zwak)Eindigt het voltooid deelwoord op een d of een t? Gewerkt, gefietst.
    • Voltooid deelwoord: -t of -d
    Ab Klasse 7 · 40
  9. 9Sterke werkwoordenDe onregelmatige werkwoorden in verleden tijd en voltooid deelwoord.
    • Sterke werkwoorden: verleden tijd
    • Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
    Ab Klasse 8 · 80
  10. 10Sterke werkwoorden: verleden tijdKlankveranderende werkwoorden: liep, zwom, zong.
    • Sterke werkwoorden: verleden tijd
    Ab Klasse 8 · 40
  11. 11Sterke werkwoorden: voltooid deelwoordVoltooid deelwoord met -en: gelopen, gezwommen, gezongen.
    • Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
    Ab Klasse 8 · 40
  12. 12Alle werkwoordregelsVan de ik-vorm tot de sterke werkwoorden.
    • Tegenwoordige tijd: ik-vorm
    • Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
    • De dt-regel
    • Jij achter het werkwoord
    • Verleden tijd: 't kofschip
    • Voltooid deelwoord: -t of -d
    • Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
    • Sterke werkwoorden: verleden tijd
    • Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
    • De gebiedende wijs
    • Het tegenwoordig deelwoord
    • Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
    • +1
    Ab Klasse 8 · 520
  13. 13De gebiedende wijsBevelen en aansporingen: altijd alleen de stam (word lid, loop door).
    • De gebiedende wijs
    Ab Klasse 6 · 40
  14. 14Het tegenwoordig deelwoordIets gebeurt tegelijk: het hele werkwoord met een d erachter (lachend, zingend).
    • Het tegenwoordig deelwoord
    Ab Klasse 7 · 40
  15. 15Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoordZo kort mogelijk schrijven: de verbrande taart, het geverfde hek.
    • Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
    Ab Klasse 7 · 40
  16. 16Werkwoorden met be-, ge-, ver-Laat je niet foppen: in de tegenwoordige tijd gewoon stam + t (beantwoordt, gebeurt).
    • Werkwoorden met be-, ge-, ver-
    Ab Klasse 7 · 40

Alles

  1. 1Alle spellingVan kort-of-lang tot de sterke werkwoorden — alles door elkaar.
    • Hak het woord in klanken
    • Ng of nk?
    • Aai, ooi of oei?
    • Eer, oor of eur?
    • Eeuw, ieuw of uw?
    • Kalender- en tijdwoorden
    • Eén of twee medeklinkers?
    • Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
    • Eindigt het op d of t?
    • Eindigt het op b of p?
    • Eindigt het op f of v, s of z?
    • Achtervoegsel -ing
    • +47
    Ab Klasse 8 · 2360

Geografie

Geography

15 Stufen · 11 Blöcke · 215 Lernpunkte

Nederland

Provincies

  1. 1De provinciesDe twaalf provincies van Nederland, van Groningen tot Limburg.
    • Provincies van Nederland
    Ab Klasse 6 · 12
  2. 2Heel NederlandDe provincies, steden en wateren van Nederland door elkaar.
    • Provincies van Nederland
    • Steden van Nederland
    • Wateren en eilanden van Nederland
    Ab Klasse 6 · 62
Nederland

Steden

  1. 1De grote stedenEenendertig steden van Nederland, met de Randstad als houvast.
    • Steden van Nederland
    Ab Klasse 6 · 31
Nederland

Wateren & eilanden

  1. 1Wateren en eilandenDe Waddeneilanden, grote rivieren en meren van Nederland.
    • Wateren en eilanden van Nederland
    Ab Klasse 6 · 19
Europa

Landen

  1. 1De landen van EuropaZevenendertig landen, vanaf Nederland naar buiten toe.
    • Landen van Europa
    Ab Klasse 7 · 37
  2. 2Heel EuropaDe landen van Europa, hoofdsteden en natuur.
    • Landen van Europa
    • Hoofdsteden van Europa
    • Zeeën en gebergten van Europa
    Ab Klasse 7 · 85
Europa

Hoofdsteden

  1. 1De hoofdstedenBij elk land van Europa de stad waar het bestuurd wordt.
    • Hoofdsteden van Europa
    Ab Klasse 8 · 32
Europa

Zeeën & gebergten

  1. 1Zeeën en gebergten EUDe grote zeeën, rivieren en bergketens van Europa.
    • Zeeën en gebergten van Europa
    Ab Klasse 7 · 16
De wereld

Werelddelen & oceanen

  1. 1De werelddelenZes vlakken die de hele wereld verdelen, van Afrika tot Oceanië.
    • De werelddelen
    Ab Klasse 6 · 6
  2. 2De oceanenHet water tussen de werelddelen: vijf oceanen om aan te wijzen.
    • De oceanen
    Ab Klasse 6 · 5
  3. 3Werelddelen en oceanenDe grote vlakken van de wereld, land en water door elkaar.
    • De werelddelen
    • De oceanen
    Ab Klasse 6 · 11
De wereld

Landen van de wereld

  1. 1Landen van de wereldVierendertig landen die je overal tegenkomt, van Canada tot Japan.
    • Landen van de wereld
    Ab Klasse 8 · 34
De wereld

Gebergten & rivieren

  1. 1Gebergten en rivierenDe grootste gebergten, woestijnen en rivieren van de aarde.
    • Gebergten en rivieren van de wereld
    Ab Klasse 7 · 9
De wereld

Wereldsteden

  1. 1Grote wereldstedenVeertien wereldsteden, van New York tot Tokio en Sydney.
    • Grote steden van de wereld
    Ab Klasse 8 · 14

Alles

  1. 1Alle kaartenVan de provincies van Nederland tot de landen van de wereld.
    • Provincies van Nederland
    • Steden van Nederland
    • Wateren en eilanden van Nederland
    • Landen van Europa
    • Hoofdsteden van Europa
    • Zeeën en gebergten van Europa
    • De werelddelen
    • De oceanen
    • Landen van de wereld
    • Gebergten en rivieren van de wereld
    • Grote steden van de wereld
    Ab Klasse 8 · 215

Grammatik

Grammar

68 Stufen · 53 Blöcke · 464 Lernpunkte

Woordenschat

Woordenschat

  1. 1Woordenschat: groep 3Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 3.
    • Woordenschat: groep 3
    Ab Klasse 3 · 10
  2. 2Woordenschat: groep 4Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 4.
    • Woordenschat: groep 4
    Ab Klasse 4 · 10
  3. 3Woordenschat: groep 5Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 5.
    • Woordenschat: groep 5
    Ab Klasse 5 · 10
  4. 4Woordenschat: groep 6Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 6.
    • Woordenschat: groep 6
    Ab Klasse 6 · 10
  5. 5Woordenschat: groep 7Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 7.
    • Woordenschat: groep 7
    Ab Klasse 7 · 10
  6. 6Woordenschat: groep 8Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 8.
    • Woordenschat: groep 8
    Ab Klasse 8 · 10
Woorden

Woordsoorten

  1. 1Lidwoord en naamwoordDe drie woordsoorten waarmee elke zin begint: de, het, een — en waar ze bij horen.
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    Ab Klasse 4 · 24
  2. 2Het lidwoordDe, het of een aanwijzen in de zin.
    • Het lidwoord
    Ab Klasse 4 · 8
  3. 3Het zelfstandig naamwoordMensen, dieren, dingen en planten waar je de, het of een voor kunt zetten.
    • Het zelfstandig naamwoord
    Ab Klasse 4 · 8
  4. 4Het bijvoeglijk naamwoordWoorden die vertellen hoe iets is (mooi, groot, snel).
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    Ab Klasse 4 · 8
  5. 5Samengestelde woordenTwee losse woorden die samen één nieuw woord vormen.
    • Samengestelde woorden
    Ab Klasse 4 · 10
  6. 6Werkwoord en voorzetselWat er gebeurt, waar het gebeurt, en de woordjes die een naam vervangen.
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het telwoord
    Ab Klasse 5 · 32
  7. 7Het werkwoordDoewoorden: wat iemand doet of wat er gebeurt.
    • Het werkwoord
    Ab Klasse 5 · 8
  8. 8Het voorzetselKastwoorden: voor, achter, op, in, onder de kast.
    • Het voorzetsel
    Ab Klasse 5 · 8
  9. 9De drie voornaamwoordenWie doet het (ik, hij), van wie is het (mijn, hun), en welke bedoel je (deze, die)?
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    Ab Klasse 6 · 24
  10. 10Persoonlijk voornaamwoordVervangt een persoon of ding: ik, jij, hij, wij, zij, het.
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    Ab Klasse 6 · 8
  11. 11Bezittelijk voornaamwoordGeeft aan van wie iets is: mijn, jouw, zijn, haar, ons, hun.
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    Ab Klasse 6 · 8
  12. 12Aanwijzend voornaamwoordWijst iets aan: deze, die, dit, dat.
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    Ab Klasse 6 · 8
  13. 13Het telwoordAantallen en rangnummers: drie, twintig, eerste, laatste.
    • Het telwoord
    Ab Klasse 6 · 8
  14. 14Bijwoord en tussenwerpselHet woord dat bij het werkwoord hoort, en het woord dat er los bij staat.
    • Het bijwoord
    • Het tussenwerpsel
    Ab Klasse 7 · 16
  15. 15Het bijwoordVertelt iets over een werkwoord of ander woord: gisteren, heel, erg.
    • Het bijwoord
    Ab Klasse 7 · 8
  16. 16Het tussenwerpselUitroepen en kreetjes: au, hoera, foei, oei, hé.
    • Het tussenwerpsel
    Ab Klasse 7 · 8
  17. 17Alle woordsoorten door elkaarAlle elf woordsoorten door elkaar in één oefenreeks.
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    • Het telwoord
    • Het bijwoord
    • Het tussenwerpsel
    Ab Klasse 7 · 88
  18. 18Elk woord benoemenEen hele zin, en onder elk woord zijn soort — zoals op de naslagkaart.
    • Elk woord benoemen
    Ab Klasse 7 · 18
  19. 19Stoffelijk bijvoeglijk naamwoordWaarvan is het gemaakt: houten, gouden, wollen, zilveren.
    • Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
    Ab Klasse 5 · 8
  20. 20Trappen van vergelijkingGroot, groter, grootst: stellende, vergrotende en overtreffende trap.
    • De trappen van vergelijking
    Ab Klasse 5 · 8
  21. 21Wederkerend voornaamwoordHet woordje dat terugwijst naar het onderwerp: me, je, zich, ons.
    • Het wederkerend voornaamwoord
    Ab Klasse 7 · 8
Woorden

Werkwoorden in de zin

  1. 1De persoonsvormDe vraagproef, het hele gezegde, en het werkwoord dat in tweeën breekt.
    • De persoonsvorm
    • Alle werkwoorden samen
    • Het werkwoord in tweeën
    Ab Klasse 6 · 24
  2. 2Alleen de persoonsvormDe persoonsvorm vinden via de vraagproef of tijdproef.
    • De persoonsvorm
    Ab Klasse 6 · 8
  3. 3Werkwoordelijk gezegdeAlle werkwoorden in de zin die samen het werkwoordelijk gezegde vormen.
    • Alle werkwoorden samen
    Ab Klasse 6 · 8
  4. 4Scheidbare werkwoordenWerkwoorden die in tweeën splitsen in de zin: belt ... op, wast ... af.
    • Het werkwoord in tweeën
    Ab Klasse 7 · 8
  5. 5Het hulpwerkwoordHet werkwoord dat helpt de tijd of het gezegde te vormen.
    • Het hulpwerkwoord
    Ab Klasse 6 · 8
Zinnen

Zinsdelen

  1. 1Onderwerp en gezegdeWie of wat doet het? De eerste vraag die je aan elke zin stelt.
    • Het onderwerp
    Ab Klasse 6 · 8
  2. 2Alleen het onderwerpWie of wat doet het? Het onderwerp in de zin aanwijzen.
    • Het onderwerp
    Ab Klasse 6 · 8
  3. 3Lijdend en meewerkend voorwerpWat gebeurt er, en aan wie? De twee voorwerpen in een zin.
    • Het lijdend voorwerp
    • Het meewerkend voorwerp
    Ab Klasse 7 · 16
  4. 4Het lijdend voorwerpWie of wat + gezegde + onderwerp? Het lijdend voorwerp vinden.
    • Het lijdend voorwerp
    Ab Klasse 7 · 8
  5. 5Het meewerkend voorwerpAan wie of voor wie? Het meewerkend voorwerp vinden.
    • Het meewerkend voorwerp
    Ab Klasse 7 · 8
  6. 6Bepalingen van tijd en plaatsWanneer gebeurt het, en waar?
    • De bepaling van tijd
    • De bepaling van plaats
    Ab Klasse 7 · 16
  7. 7Bepaling van tijdWanneer gebeurt het? De bijwoordelijke bepaling van tijd.
    • De bepaling van tijd
    Ab Klasse 7 · 8
  8. 8Bepaling van plaatsWaar gebeurt het? De bijwoordelijke bepaling van plaats.
    • De bepaling van plaats
    Ab Klasse 7 · 8
  9. 9Het naamwoordelijk gezegdeKoppelwerkwoorden en het deel dat een toestand of eigenschap noemt.
    • Naamwoordelijk gezegde
    Ab Klasse 7 · 10
  10. 10Alle zinsdelen door elkaarPersoonsvorm, onderwerp, gezegde, lijdend en meewerkend voorwerp en bepalingen.
    • De persoonsvorm
    • Alle werkwoorden samen
    • Het onderwerp
    • Het lijdend voorwerp
    • Het meewerkend voorwerp
    • De bepaling van tijd
    • De bepaling van plaats
    • Naamwoordelijk gezegde
    Ab Klasse 8 · 66
  11. 11De hele zin ontledenOnder elk zinsdeel zijn naam: pv, ow, lv, mv en de bepalingen.
    • Elk zinsdeel benoemen
    Ab Klasse 8 · 16
  12. 12De lijdende vormHet onderwerp ondergaat de handeling in plaats van zelf te handelen.
    • De lijdende vorm
    Ab Klasse 7 · 8
Zinnen

Samengestelde zinnen

  1. 1Twee zinnen aan elkaarHet voegwoord dat twee stukken zin verbindt: en, maar, want, omdat.
    • Het voegwoord
    Ab Klasse 8 · 8
  2. 2Hoofdzin en bijzinIn de bijzin staat de persoonsvorm helemaal achteraan.
    • De bijzin
    Ab Klasse 7 · 8
  3. 3SamentrekkingGelijke woorden niet dubbel noemen in een samengestelde zin.
    • Samentrekking
    Ab Klasse 8 · 8
Taal gebruiken

Hoofdletters

  1. 1HoofdlettersWelk woord is een naam? Van mensen en landen tot winkels en achternamen.
    • De hoofdletter
    • Hoofdletters bij gebouwen en bedrijven
    • Hoofdletters bij achternamen
    Ab Klasse 4 · 24
  2. 2Hoofdletter aan het beginElke zin begint met een hoofdletter.
    • De hoofdletter
    Ab Klasse 4 · 8
  3. 3Hoofdletters bij namenNamen van mensen, steden, landen en feestdagen.
    • Hoofdletters bij gebouwen en bedrijven
    Ab Klasse 5 · 8
  4. 4Tussenvoegsels bij achternamenVan, de, der: met of zonder voornaam.
    • Hoofdletters bij achternamen
    Ab Klasse 6 · 8
Taal gebruiken

Leestekens

  1. 1Punt, vraagteken en kommaVertel je iets, vraag je iets of roep je iets? En waar houdt het ene stuk zin op?
    • Het teken aan het eind
    • De komma
    Ab Klasse 4 · 18
  2. 2Punt, vraagteken en uitroeptekenHet juiste leesteken aan het einde van de zin.
    • Het teken aan het eind
    Ab Klasse 4 · 10
  3. 3De kommaWijs aan waar de komma moet staan in de zin.
    • De komma
    Ab Klasse 6 · 8
  4. 4Iemand laten sprekenDe dubbele punt, de aanhalingstekens en de haakjes: hoe je iemand citeert en iets extra toevoegt.
    • De dubbele punt
    • Aanhalingstekens
    • Haakjes
    Ab Klasse 6 · 24
  5. 5De dubbele puntWijs aan waar de dubbele punt hoort.
    • De dubbele punt
    Ab Klasse 6 · 8
  6. 6AanhalingstekensAanwijzen waar een citaat begint en eindigt.
    • Aanhalingstekens
    Ab Klasse 7 · 8
  7. 7HaakjesWijs aan waar haakjes horen voor een extra toelichting.
    • Haakjes
    Ab Klasse 7 · 8
  8. 8De directe redeDe letterlijke woorden van iemand tussen aanhalingstekens.
    • De directe rede
    Ab Klasse 6 · 8
Taal gebruiken

Goed gezegd

  1. 1Die of dat, als of danDe drie die volwassenen ook fout doen: die/dat, als/dan, hun/hen.
    • Die of dat?
    • Als of dan?
    • Hun, hen of zij?
    Ab Klasse 7 · 24
  2. 2Die of datVerwijzen naar de-woorden en het-woorden.
    • Die of dat?
    Ab Klasse 7 · 8
  3. 3Als of danGroter dan, even groot als: vergelijken zonder fouten.
    • Als of dan?
    Ab Klasse 7 · 8
  4. 4Hun, hen of zijZij als onderwerp, hen na een voorzetsel, hun bezittelijk.
    • Hun, hen of zij?
    Ab Klasse 8 · 8
  5. 5Spreekwoorden en gezegdenDe vaste kernwoorden in bekende uitdrukkingen en gezegden.
    • Spreekwoorden en gezegden
    Ab Klasse 7 · 12
  6. 6Vaste voorzetselsVoorzetsels die vast bij een werkwoord horen: wachten op, houden van.
    • Vaste voorzetsels bij werkwoorden
    Ab Klasse 7 · 8
  7. 7Dubbelop en stijlfoutenOverbodige woorden weglaten: witte sneeuw, overnieuw.
    • Dubbelop en stijlfouten
    Ab Klasse 7 · 8
  8. 8Figuurlijk taalgebruikWoorden als beeld in plaats van letterlijk: door de mand vallen.
    • Figuurlijk taalgebruik
    Ab Klasse 6 · 8

Alles

  1. 1Alle taalVan het lidwoord tot de lijdende zin — alles door elkaar.
    • Woordenschat: groep 3
    • Woordenschat: groep 4
    • Woordenschat: groep 5
    • Woordenschat: groep 6
    • Woordenschat: groep 7
    • Woordenschat: groep 8
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Samengestelde woorden
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • +41
    Ab Klasse 8 · 464

Tastschreiben

Typing

12 Stufen · 23 Blöcke · 130 Lernpunkte

De letters

De thuisrij

  1. 1De bultjesf, j en de spatie, en daarna d en k. Waar je handen liggen.
    • f en j — de bultjes
    • d en k — naast het bultje
    Ab Klasse 3 · 5
  2. 2De hele thuisrijAlle acht de toetsen waar je vingers op rusten, plus g en h.
    • f en j — de bultjes
    • d en k — naast het bultje
    • s en l — je ringvingers
    • a en ; — je pinken
    • g en h — naar binnen reiken
    • De thuisrij door elkaar
    · 23
De letters

De bovenrij

  1. 1Naar boven reikene, i, r, u, t en y — één rij omhoog en telkens weer terug.
    • e en i — één rij omhoog
    • r en u — boven het bultje
    • t en y — de verste reik
    · 6
  2. 2De hele bovenrijMet w, o, q en p erbij ken je de tien toetsen van de bovenrij.
    • e en i — één rij omhoog
    • r en u — boven het bultje
    • t en y — de verste reik
    • w en o — ringvingers omhoog
    • q en p — de hoeken bovenin
    • Thuisrij en bovenrij door elkaar
    · 22
De letters

De onderrij

  1. 1Naar beneden reikenv, m, b en n — de vier onderste toetsen van je wijsvingers.
    • v en m — één rij omlaag
    • b en n — naar binnen en omlaag
    · 4
  2. 2De hele onderrijMet c, x en z erbij ken je alle zesentwintig letters.
    • v en m — één rij omlaag
    • b en n — naar binnen en omlaag
    • c en , — middelvingers omlaag
    • x en . — ringvingers omlaag
    • z en / — de hoeken onderin
    • Alle letters door elkaar
    · 22
Meer dan letters

Hoofdletters

  1. 1Shift met je andere handEen hoofdletter maken zonder je handen van de thuisrij te halen.
    • Hoofdletters
    · 8
Meer dan letters

Leestekens

  1. 1Vraagteken en apostrofDe tekens waar je pink voor naar buiten reikt.
    • Leestekens
    · 3
Meer dan letters

Cijfers

  1. 1De cijferrijTwee rijen omhoog, elke vinger in zijn eigen kolom.
    • De cijferrij
    · 10
Vloeiend typen

Woorden

  1. 1Langere woordenHele woorden in één beweging, niet meer letter voor letter.
    • Langere woorden
    · 26
Vloeiend typen

Zinnen

  1. 1Zinnen typenDoortypen over de spatie heen, met hoofdletter en punt.
    • Zinnen typen
    · 16

Alles

  1. 1Blind typenAlles door elkaar: letters, tekens, cijfers, woorden en zinnen.
    • f en j — de bultjes
    • d en k — naast het bultje
    • s en l — je ringvingers
    • a en ; — je pinken
    • g en h — naar binnen reiken
    • De thuisrij door elkaar
    • e en i — één rij omhoog
    • r en u — boven het bultje
    • t en y — de verste reik
    • w en o — ringvingers omhoog
    • q en p — de hoeken bovenin
    • Thuisrij en bovenrij door elkaar
    • +11
    · 130

Verkehrserziehung

Traffic

9 Stufen · 27 Blöcke · 134 Lernpunkte

Voorrang

Kruispunt zonder borden

  1. 1Wie gaat er voor?Rechts gaat voor, rechtdoor gaat voor afslaan, en een kleine bocht voor een grote.
    • Rechts gaat voor
    • Rechtdoor gaat voor
    • Kleine en grote bocht
    • Zandweg, uitrit en erf
    • Drie op een kruispunt
    Ab Klasse 5 · 25
Voorrang

Borden en haaientanden

  1. 1Voorrang met bordenHaaientanden, het stopbord en de voorrangsweg.
    • Haaientanden
    • Het stopbord
    • De voorrangsweg
    Ab Klasse 6 · 10
Voorrang

Lichten, rotonde en voorrangsvoertuigen

  1. 1Lichten, zwaailicht en rotondeHet licht, de sirene, de rotonde, de tram en de trein.
    • Verkeerslichten
    • Zwaailicht en sirene
    • De rotonde
    • De overweg
    • De tram
    · 15
Voorrang

Voetgangers en de bus

  1. 1Lopen en overstekenHet zebrapad, oversteken bij een zijstraat en de bus bij de halte.
    • Het zebrapad
    • Oversteken als voetganger
    • De bus bij de halte
    Ab Klasse 5 · 8
Borden en tekens

Soorten borden

  1. 1Welk bord is het?Verbod, gebod, waarschuwing, voorrang of informatie: herken het aan vorm en kleur.
    • Soorten borden
    · 44
Borden en tekens

Wat het bord zegt

  1. 1Wat zegt het bord?Wie mag erin, waar moet je rijden, en wat staat er op de weg.
    • Tekens op de weg
    • Verbodsborden
    • Gebodsborden
    · 12
Veilig onderweg

Je plek op de weg

  1. 1Je plek op de wegVoorsorteren, het woonerf, de dode hoek en de snelweg.
    • Voorsorteren
    • Het woonerf
    • De dode hoek
    • De snelweg
    Ab Klasse 7 · 11
Veilig onderweg

Veilig fietsen

  1. 1Veilig fietsenLicht, slecht weer en samen fietsen.
    • Zien en gezien worden
    • Slecht weer
    • Samen fietsen
    · 9

Jeder Schritt oben ist ein echter Startpunkt in der App. Dein Kind wählt einen, oder ein kurzer Einstufungstest findet die passende Stufe.

Die Theorie lesen